![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |

|
|
||
| Op elk erf zijn stukjes grond te vinden die niet of nauwelijks worden gebruikt. Bijvoorbeeld een strook langs schuur, stal, rijkuil of mestsilo. Sommige boeren ergeren zich aan die 'overbodige' stukken en hebben ze in het verleden bestraat of geasfalteerd, anderen laten daar groeien wat er maar opkomt. Met een beetje moeite en nauwelijks of geen kosten kunt u er prachtige stukjes natuur van maken, met name als zulke stukjes grenzen aan beplanting. Vooral vlinders en andere insecten profiteren dan van uw overhoekjes. Hoe u er het best mee om kunt gaan hangt af van de grootte en van de ligging: in het gezicht of juist niet, in de zon of in de schaduw. | ||
| Een klein overhoekje kunt u het best in de eerste helft van september maaien en het maaisel afvoeren. De planten hebben dan al zaad gezet en er kan nog enige hergroei optreden voor rupsen. Door het maaisel af te voeren maakt u de bodem armer. Brandnetels en andere planten die van een voedselrijke bodem houden zullen dan na een aantal jaren verdwijnen. Een wat grotere hoek kunt u in tweeën delen en dan elk jaar een deel maaien. Elk jaar blijven er dan stengels staan en daar profiteren insecten van. Enkele soorten overwinteren namelijk als rups of pop in plantenstengels. Meerjarige planten krijgen bij een tweejaarlijks maaibeheer een kans om tot bloei te komen. | ![]() |
| Op een overhoekje dat in de zon ligt en dat er leuk moet uitzien omdat u er regelmatig tegenaan kijkt, kunt u fleurige (wilde) planten inzaaien. Die trekken bovendien vlinders aan. |
| Op een hoekje dat niet in het zicht ligt, kunt u planten laten groeien die niet zo mooi, maar wel erg belangrijk voor bepaalde insecten zijn. Te denken valt aan de speerdistel, de grote klis en de grote brandnetel. De speerdistel en de grote klis zijn in de zomer van belang omdat ze nectar leveren aan vlinders en andere insecten. In de winter profiteren putters van het zaad van de grote klis. Beide planten zijn niet zo woekerend als de gewone akkerdistel. Een grote brandnetel die in de volle zon staat, is onmisbaar voor rupsen van de dagpauwoog en de kleine vos. In de (half)schaduw maakt de atalanta er graag gebruik van. Langs een houtwal kunt u de afrastering zo ver uit de rand zetten, dat er een ruigtestrook ontstaat. Doe dat aan de zuidkant want vlinders houden van warmte. Door inhammen te maken, maakt u de houtwal aantrekkelijker en gevarieerder. Een gevarieerd landschap helpt vlinders bovendien om zich te oriënteren. |
| Opdracht (lees de tekst) | |
| A. | Voor wie is deze tekst geschreven? (streep door wat fout is) |
| Boeren / Natuurliefhebbers / Leerlingen | |
| B. | Welke
aanbevelingen voor boeren staan er in het stukje? (zet een rondje om het nummer) |
| 1. De rommelige stukjes bestraten of asfalteren | |
| 2. Maaien in de eerste helft van september | |
| 3. Het maaisel laten liggen. | |
| 4. Om het jaar de helft maaien. | |
| 5. De afrastering dicht langs de houtwal plaatsen. | |
| 6. Wegwijzers plaatsen voor de vlinders. | |
Verder naar "Beschermen van weidevogels"
beginpagina - informatie - spelletjes - actueel - email - links